Auteursarchief: Marieke

Durf jij je echt open te stellen voor de emoties van je kind?

Doel: eerst aanvaarden van emoties en pas daarna je kind iets leren (als dat nog nodig is)

Achtergrondinformatie:

In mijn praktijk bespreek ik regelmatig de 4 stappen van erkenning, troost, realiteit en grip.

  • Erkenning: Je openstellen voor de beleving van je kind;
  • Troost: Met troost bedoel ik nadrukkelijk niet “het valt wel mee” of “het komt wel goed”. Met troost bedoel ik normaal maken van de gevoelens die het kind heeft; aanvaarden dat het is zoals het is.
  • Realiteit: Neutraal zonder veroordeling de realiteit schetsen, wat mag wel/niet.
  • Grip krijgen: oplossingen zoeken, vaardigheden oefenen.

Als een kind overstuur is, verdrietig, boos, bang, zich overweldigd voelt, zich schaamt, zich misdraagt etc. is er sprake van stress.  Het autonome zenuwstelsel brengt het lijf in staat van paraatheid  om te vechten, te vluchten of te verstarren.  De gebieden in de hersenen die betrokken zijn bij nadenken en constructief samenwerken zijn minder actief omdat alle energie gericht is op overleven. Een kind is op zo’n stressmoment niet in staat om te leren. Om ontvankelijk te zijn voor leren moet iemand zich veilig voelen, zich gezien en begrepen voelen. Wat een kind op zo’n stressmoment daarom nodig heeft is contact. Contact kalmeert.
Met contact bedoel ik dat je vanuit belangstellend mededogen je even echt openstelt voor de beleving van je kind, met hem bent in zijn gevoel en dat je zijn gevoel aanvaardt.  Contact ontstaat waar ‘luisteren om te reageren’ overgaat in ‘luisteren om te begrijpen’. Als je kind gekalmeerd is, krijgt hij pas weer controle over zijn gedrag, kan hij oplossingen bedenken of oefenen met gewenst gedrag.

Een mooi filmpje dat echt contact illustreert is “Empathy” van Brené Brown.

Omdat ik vaak tegenkom dat de stap van erkenning onvoldoende uit de verf komt of zelfs helemaal wordt overgeslagen wil ik in deze blog ingaan op contact, meevoelen, met je kind zijn in al zijn emoties.

Een casus:
Een meisje haalde een onvoldoende voor wiskunde, baalde hier verschrikkelijk van en schaamde zich rot. Ze kwam thuis met een rothumeur. Moeder probeerde haar dochter gerust te stellen, besprak dat een onvoldoende halen niet erg is, dat het slechts betekent dat ze nog dingen te ontdekken heeft en gaf tips. Ondanks moeders kalme en ondersteunende aanpak voelde het meisje zich nog steeds slecht en zocht net zo lang de confrontatie tot ze uiteindelijk in woede uitbarstte en een gat in de muur sloeg.

Hoe kan dat nou? Waarom werkt de kalmte en ondersteuning van moeder toch niet kalmerend voor haar dochter? Wat is in deze situatie nodig?

Het meisje ervaart stress. Ze is zelf nog niet in staat om zichzelf te kalmeren en heeft daar nu nog iemand anders (in dit geval haar moeder) voor nodig. Om te kalmeren heeft ze echt contact nodig: Iemand die oordeelloos overschakelt naar hoe zij zich voelt en haar emotie kan aanvaarden zoals die is en met haar is in die emotie. 

Werkwijze:

Herken je eigen stress in reactie op de stress van je kind. Waar voel je die in je eigen lijf? Adem diep in, tel tot 10.  Laat los. Bedenk dat woede/ onzekerheid/ onrust/ machteloosheid/ frustratie/ vermoeidheid etc. normale gevoelens zijn die komen en gaan. Dat geldt voor jou en dat geldt voor je kind.
Word je bewust of je de situatie nog vanuit jouw perspectief aan het beoordelen bent (sta je aan de rand van de grot naar beneden te kijken – zie filmpje), of dat je contact hebt op gevoelsniveau (met hem in de grot bent – zie filmpje). Als je bezig bent met redden, geruststellen, ellende voorkomen, uitleggen, oplossingen bedenken, corrigeren, en het goede doen om de situatie te repareren of te verzachten, ben je waarschijnlijk nog aan de rand van de grot naar beneden aan het kijken en ben je niet in contact.
Kalmeer eerst jezelf voordat je reageert.

Als je voldoende gekalmeerd bent stel je je bewust open voor contact. Dit meisje voelde zich tekort schieten, ze schaamde zich. Kun je verduren dat ze zich zo voelt, kan je met haar zijn in dit gevoel en aanvaarden/uitstralen dat het is zoals het is?
Duik niet in haar gevoel, laat je niet meesleuren. Laat haar emotie bij haar, maar vang haar op.
Blijf niet hangen in ‘snappen’ met je hoofd, maar maak contact op gevoelsniveau. Bijvoorbeeld non-verbaal: sla een arm om haar heen,  of trek haar op schoot, of leg je hand op haar schouder, of als dat allemaal te veel is, blijf gewoon nabij en wees aanwezig met een open houding/liefdevolle aandacht en zonder iets te willen.
Of zeg bijvoorbeeld dingen als:
“het valt niet mee hè”
“het gaat niet zoals je wilt hè?”
“Je baalt als een stekker hè?”

Richt je niet op wat zij moet doen/voelen/ervaren/ etc. maar op je eigen aanvaarding van haar beleving. Straal bewust uit dat het oké is hoe ze zich voelt en dat jij er bent. Het gaat niet om proberen het goede zinnetje te zeggen (dan ben je uit contact en ‘het goede’ aan het doen); het gaat om overschakelen van je eigen perspectief naar inleven in haar perspectief en aanvaarden van haar emotie.

Blijf reflecteren of je nog ‘samen in de grot bent’ of dat je toch weer ‘boven aan de rand van de grot aan het beoordelen en managen’ bent. Voor sensitieve autonome kinderen zal dat laatste als een rode lap op een stier werken.  Kalmeer en stel je weer open voor haar beleving.  Aanvaard haar beleving.

Ik heb het hier over aanvaarden van haar emoties (frustratie, machteloosheid, woede etc) niet over aanvaarden van gedrag (gat in de muur slaan). In andere blogs ga ik dieper in op handelen bij ongewenst gedrag; de genoemde stap 3 “realiteit” en stap 4 “grip”.
Zie bijvoorbeeld “Hoe de wijze van communiceren probleemgedrag beïnvloedt”. of “Hoe om te gaan met sarren en pesten”. 

In deze blog gaat het nadrukkelijk over ‘echt contact’ (erkenning en troost)  omdat ik merk dat het hier in geëscaleerde situaties ondanks alle goede bedoelingen nog vaak aan ontbreekt.

Tips en valkuilen

Gevoelens van ouders en kinderen vermengen gemakkelijk. Haar stress, wordt jouw stress.  Voel mee, maar wees je bewust dat je je niet laat meesleuren, dat je niet zelf in het gevoel duikt.

“Ik snap dat je baalt maar ….” is niet luisteren om te begrijpen maar luisteren om te reageren. je zit nog in je hoofd. Neem de tijd voor erkenning en troost.  Voor echt contact moet je mee die grot in, moet je aanvaarden dat ze voelt wat ze voelt. Pas daarna komt er eventueel ruimte om anders met dingen te leren omgaan als dat nog nodig is.

Thomas Gordon waarschuwt voor de volgende communicatie-stops:

  1. Geruststellen: “Als je straks gewend bent gaat het vast beter”.
  2. Oplossingen, suggesties aandragen: “Als je je toets meeneemt kunnen we samen kijken wat er mis ging”.
  3. Preken / uitleggen: “Iedereen heeft het moeilijk als hij pas op de middelbare school zit. Daar moet je gewoon even doorheen”
  4. Prijzen: “Jij bent zo’n slimme meid, jij redt het ook wel met deze onvoldoende”
  5. Onderzoeken: “Wat ging er mis?
  6. Waarschuwen: “Als je niet op tijd begint dan haal je het niet”
  7. Afleiden: “Weet je wat, we vergeten school even. We gaan lekker een ijsje eten”
  8. Bekritiseren: “Ja ik vind het niet zo gek, je bent veel te laat begonnen met leren”
  9. Commanderen: “Stop met zeuren. Volgende keer zal ik je eerst overhoren voordat je op Netflix mag”.

Sommige van deze reacties lijken best heel vriendelijk en ondersteunend. Toch kunnen ze contact blokkeren als de impliciete boodschap is dat het gevoel niet oké is. Als een kind zich begrepen en gezien voelt kan je daarna waarschijnlijk prima vragen wat er mis ging of helpen oplossingen te bedenken enzovoort. De timing en grondhouding zijn cruciaal. Eerst “connectie” en pas daarna “leren”.

 

Bronnen:

De 4 stappen erkenning, troost , realiteit en grip heb ik overgenomen van Charlotte Visch en staan beschreven in haar boek “De sleutel tot je kind”.

Actief luisteren en communicatie-stops werkt Thomas Gordon verder uit in het boek “Luisteren naar je kind”.

Hoe je stoeispelletjes gebruikt als uitlaatklep voor angst, agressie en frustratie.

Doel: verwerken van opgekropte emoties en creëren van verbondenheid.

Achtergrondinformatie.

Kinderen hebben iedere dag weer, allerlei kleine en grote teleurstellingen, frustraties, angsten enz.  te verwerken. Opgekropte emoties verwerken ze door te huilen, te bewegen, te lachen en te spelen. Zo worden stresshormonen afgevoerd en komen ze weer in balans.

Aletha Solter spreekt van ‘het-gebroken-koekje-fenomeen’.
Een kind bouwt voortdurend spanning op, tot het emmertje vol is. Er hoeft dan nog maar een kleinigheid te gebeuren, ze krijgen bijvoorbeeld een gebroken koekje, en ze barsten uit in een onbedaarlijke huilbui. Als je dit principe nog niet kent verbaas je je misschien dat zo iets kleins zo vreselijk kan zijn.
Zo erg is het dus ook niet; het is slechts een manier om even alle spanning eruit te gooien. Steek je energie dus niet in het voorkomen of repareren van ‘gebroken koekjes’, maar zie het als een oplossing om spanning eruit te gooien. Koester je kind, en laat hem lekker uithuilen. Je zult zien dat hij daarna weer lekkerder in zijn vel zit.

Als we onvoldoende ontladen,  kroppen we de emoties op, wat kan leiden tot agressief, geniepig, veeleisend, dwingend, claimend en ander onwenselijk gedrag. Onwenselijk gedrag is een teken dat er of een conflict moet worden opgelost of een uitlaatklep gevonden moet worden om spanning af te laten vloeien.

Hoogbegaafde, sensitieve kinderen die dingen intens beleven, nog geen aansluiting vinden of nog geen passend werk hebben, hebben nog meer spanning te verwerken dan anderen. Voor hen is het extra belangrijk dat ze manieren vinden om deze spanning af te laten vloeien.

Stoei-spelletjes zijn een fantastische manier om opgekropte emoties te verwerken en tegelijkertijd je band te verdiepen.

Werkwijze:

In de blog van ‘aha parenting’ staat prachtig verwoord hoe je gemakkelijk een stoeispelletje kunt inzetten om opgekropte emoties te ontladen. Beter kan ik het niet verwoorden dus volsta ik met een verwijzing:  http://www.ahaparenting.com/parenting-tools/connection/play-child-emotional-intelligence

Tips en valkuilen

Let op: stoeien luistert nauw. Plaag of verneder een kind niet. Als een kind zich gekleineerd voelt, belachelijke gemaakt of klemgezet dan werkt het averechts. Het gaat erom dat je afstemt op je kind, bij hem kunt zijn in al zijn emoties, hem een uitlaatklep biedt en hem zijn eigen kracht laat voelen.
Vermijd kietelen. Ze lachen wel om kietelen of porren maar ze kunnen zich gemakkelijk overweldigd voelen.

Stoei-spelletjes lijken misschien kinderachtig en alleen geschikt voor jonge kinderen, maar wees niet verbaasd als ook je tiener hier van opknapt.

Zoek je nog meer inspiratie om op speelse manier de angel uit lastig gedrag te halen en spanning te helpen ontladen? Het boek ‘Spelend opvoeden’ van Lawrence Cohen is een aanrader.

Spanning opbouwen is normaal. Ieder mens heeft manieren nodig om zijn spanning weer af te laten vloeien. Maar als je kind nog niet tot zijn recht komt in zijn klas, nog geen zinvolle bezigheden heeft waar hij energie uit haalt of nog geen aansluiting vindt, dan blijft hij voortdurend erg veel spanning opbouwen. Spanning af laten vloeien is dan niet voldoende. Je zult ook een context moeten bouwen waarin hij beter op zijn plaats is met passend werk en fijne contacten. Anders wordt het dweilen met de kraan open.

Heb jij voorbeelden hoe je de angel uit een lastige situatie haalde door er een spel van te maken? Inspireer ons door ze met ons te delen in onderstaand opmerkingenveld.

Hoe de wijze van communiceren probleemgedrag beïnvloedt.

Doel: respectvol omgaan met probleemgedrag; vriendelijk en daadkrachtig tegelijk.

Achtergrond.

Als hoogbegaafde kinderen vastlopen op school wordt vaak vooral ingezet op meer uitdaging bieden. Natuurlijk is passend werk heel belangrijk; het is moeilijker om je goed te voelen en je netjes te gedragen als je je stierlijk verveelt. Waar echter minder aandacht voor is, maar wat mijns inziens net zo belangrijk is, zo niet belangrijker, is de manier van communiceren.

Hoogbegaafde, hoogsensitieve kinderen zijn enorm gevoelig voor de toon waarop ze worden aangesproken. Ze scannen voortdurend of je ze begrijpt, ze voor vol aanziet en ze waardeert. Als dat zo is, voelen ze zich veilig en zijn ze bereid om samen te werken. Ze kunnen zich dan veel beter voegen naar het systeem. Maar als iemand zich als de autoriteit opstelt en het kind precies vertelt wat het wel of niet moet doen, is de kans op verzet groot. Als je vervolgens bij verzet in de valkuil stapt om ‘je groot te maken’ en de druk extra opvoert om gedrag af te dwingen en zich aan de regels te houden, is de situatie gedoemd te escaleren.

Ik zie  vele voorbeelden waar vooral de manier van communiceren een rol speelt bij problemen.

Een heel duidelijk voorbeeld van hoe belangrijk de toon en houding van de volwassene is, heb ik gezien bij een jongetje, ik noem hem Tim, dat in groep 1 en 2 het ‘ettertje van de school’ dreigde te worden. Tim leek een hopeloos geval tot hij in groep 3 bij een andere juf in de klas kwam en alle problemen als sneeuw voor de zon verdwenen. Niet omdat hij passend werk kreeg (dat was nog steeds niet op orde) maar omdat de toon waarop hij werd aangesproken precies paste.
Hoe zat dat?
In groep 1 en 2 had Tim heel lieve, zorgzame juffen die uitgingen van de goede bedoelingen van kinderen. Er was veel vrijheid en hartelijkheid. Bij veel kinderen werkte dit heel plezierig. Tim was echter een jongetje dat grenzen opzocht; hij verveelde zich, provoceerde en probeerde uit hoe ver hij kon gaan. Iedere keer dat hij iets deed dat niet mocht waren de juffen teleurgesteld en spraken ze enigszins verongelijkt hun afkeuring uit. Tim was erg gevoelig voor de afkeuring in hun toon. Het  wakkerde zijn baldadige gedrag verder aan, waardoor hij steeds vaker even ‘op het bankje tot zichzelf moest komen’. Dit escaleerde steeds verder en Tim leek ‘niet te handhaven’. Wat was er toch mis met hem? Was er sprake van een stoornis? Was hij beter af in het speciaal onderwijs? Dit kon zo toch niet langer?
Gelukkig trof hij in groep 3 een juf die voor hem precies de goede houding had. Deze juf was heel duidelijk over wat er wel en niet mocht. Haar grote kracht was dat ze ferm en vriendelijk tegelijk bleef ook als kinderen dingen deden die niet mochten. Ze lachte om ‘wangedrag’ (zonder uit te lachten), maakte op een vrolijke, daadkrachtige manier duidelijk dat iets niet mocht en hielp het kind op weg naar wenselijk gedrag. Ze was niet teleurgesteld of boos. Ze trapte niet in de valkuil om een strenge toon op te zetten om indruk te maken. Ze straalde waardering uit voor het kind, leefde zich in in het perspectief van het kind en stuurde vriendelijk en daadkrachtig bij zonder veroordeling. Dit was precies wat Tim nodig had. Het doorbrak de vicieuze cirkel van negativiteit.

Een veelvoorkomende natuurlijke reactie op onaanvaardbaar gedrag is om een strenge toon aan te nemen en de druk op te voeren om te zorgen dat een kind alsnog gaat doen wat het moet doen. We hopen zo meer overwicht te hebben, dat het kind het belang van onze wens inziet en alsnog gehoorzaamt. Het tegenovergestelde is helaas waar. De veroordeling levert  stress op waardoor zijn lijf in paraatheid wordt gebracht om te vechten, te vluchten of te verstarren. Het lukt nog minder om te doen wat nodig is en mee te werken. Het conflict escaleert. Druk opvoeren om te gehoorzamen werkt niet. Er is vriendelijke daadkrachtige sturing nodig om de situatie behapbaar te maken en hem te helpen grip te krijgen.

Werkwijze:

Zie ‘wangedrag’ als gebrek aan grip.
Als een  kind niet stilzit en over de grond dweilt tijdens het kringgesprek, een opdracht weigert, gilt als het niet gaat zoals hij wil, enzovoort, dan betekent dit dat hij nog geen grip heeft. Hij voelt zich overweldigd en kan nog niet aan de verwachtingen voldoen.
Er zijn vele redenen waarom een kind nog geen grip heeft op zijn situatie.  Hij kan het bijvoorbeeld nog niet opbrengen om op zijn stoel te zitten luisteren naar verhalen die hem niet interesseren, hij raakt in paniek omdat hij nog niet weet hoe hij de opdracht moet aanpakken of hij ziet het nut er nog niet van in, enzovoort.
Het betekent niet dat hij moedwillig je gezag ondermijnt of dat hij de regels nog niet kent.
Het lukt om welke reden dan ook gewoon nog niet.

Richt je op de 4 stappen: erkenning, troost, realiteit en grip.

Stop je automatische reactie op ‘wangedrag’ en kies bewust voor positieve, constructieve aanpak die hem helpt grip te krijgen:

  • Erkenning:
    Leef je in in het perspectief van het kind, erken zijn beleving, begrijp zijn wens, waardeer hem voor wie hij is.
  • Troost:
    Bied troost en geruststelling; straal uit dat geen grip hebben en je overweldigd voelen normaal is; het hoort bij het leven. Door voor te leven dat je deze gevoelens kent en aanvaardt kan het kind gemakkelijker uit zijn rotgevoel stappen.
  • Realiteit:
    Geef de realiteit aan, wat mag wel/niet. Houd je toon neutraal, laat je niet verleiden tot een preek.
  • Grip krijgen:
    Bedenk wat mogelijk is om de situatie behapbaar te maken voor het kind. Welke oplossingen zijn er mogelijk? Vertaal een probleem naar te leren vaardigheden en focus op oefenen. Gebruik groeitaal:

    • Ik merk dat je het nog lastig vindt om [te leren vaardigheid; bijvoorbeeld ‘om hulp te vragen als je de opdracht lastig vindt’ ]. Hoe vaker je het doet, hoe makkelijker het wordt.
    • Ik zie dat het al lukte om [te leren vaardigheid]. Ga zo door.

Een voorbeeld:

Stel een kind gilt heel hard als hij een opdracht krijgt. Hij blijft gillen en is niet meer bereikbaar. Het is een valkuil om je op het gedrag te richten en te eisen dat hij stopt met gillen. Het is ook een valkuil om het te negeren omdat jij het ook even niet meer weet en je hoopt dat het wel weer bij trekt. Hij heeft geen grip en heeft ondersteuning nodig.
Vat het gillen op als uiting van stress en ga op zoek naar welke behoeften er niet worden vervuld:
Kalmeer jezelf.
Bied erkenning en troost: Maak liefdevol contact en straal uit dat het kennelijk nu zo is dat het nog niet lukt. Wees nieuwsgierig naar wat maakt dat hij zich zo overweldigd voelt.
Verzuipt hij in de opdracht? Wat is er aan de hand?
Als het één keer gebeurt, dan is het niet zo erg als je achter de feiten aanloopt. Als het vaker gebeurt kun je anticiperen.
Zorg dat je als je een opdracht aanbiedt dicht bij hem in de buurt blijft, zodat je meteen bij hem bent om hem gerust te stellen; bijvoorbeeld door een geruststellende hand op zijn schouder te leggen of door hem op weg te helpen met gerichte instructie.
Realiteit en grip: Geef op een rustig moment op vriendelijke, ondersteunende en respectvolle toon aan dat gillen niet fijn is en dat jullie samen gaan ontdekken wat beter werkt. Oefen met herkennen van stress, oefen met hulp vragen etc.
Een inspirerend filmpje vind ik de TedTalk van Charlotte Visch.  

Schakel zo vaak als nodig over van ‘inleven in het kind’ (erkenning en troost) naar ‘gewenste kader schetsen’ (realiteit en grip).  

Als het kind geen grip heeft, stress ervaart, zit hij in de overlevingsmodus. Hij is gericht op vechten, vluchten, verstarren en staat niet open om zich in te leven in anderen en samen te werken. De emotionele temperatuur moet eerst naar beneden.
Je haalt de angel eruit door contact te maken, te ‘luisteren om te begrijpen’, erkenning en troost te bieden (= “actief luisteren”).  Hierdoor kalmeert een kind zodat hij zich open kan stellen om samen te werken. Vervolgens schakel je over naar realiteit en grip. Je geeft aan wat wel/niet mag, je geeft richting aan wenselijk gedrag. Je zoekt oplossingen om de situatie behapbaar te maken en oefent nog ontbrekende vaardigheden.
Als hierdoor de stress weer oplaait is het nodig om eerst weer over te schakelen naar erkenning en troost om daarna weer terug te komen op jouw punt; realiteit en grip.
Bij stressvolle situaties is het meestal nodig om meerdere keren over te schakelen van erkenning en troost naar realiteit en grip en weer terug naar erkenning en troost enz.

Tips en Valkuilen:

 

Het is belangrijk om aandacht te besteden aan alle vier: erkenning, troost, realiteit en grip. Ik zie ouders en leerkrachten de regie kwijt raken als ze voor de ene stap meer aandacht hebben dan voor de andere. Als je bijvoorbeeld vooral erkenning en troost biedt en onvoldoende overschakelt naar richting geven aan gewenst gedrag, krijgt een kind te veel ruimte om zijn hobbels uit de weg te gaan.  Als je vooral de regels schetst (realiteit) zonder over te schakelen naar erkenning en troost zal een kind zich onbegrepen voelen en zich steeds heviger verzetten. Het gaat om een juiste wisselwerking; om passend overschakelen.

Ik merk dat ouders en leerkrachten soms huiverig zijn om heldere kaders te schetsen (realiteit) omdat ze bang zijn dat ze verzet oproepen als ze sturing geven. Ze willen recht doen aan een grote behoefte aan autonomie. Duidelijkheid en heldere kaders geven echter houvast. Een kind voelt zich echt niet fijn als hij als enige niet hoeft deel te nemen aan de kring, of dat hij andere opdrachten krijgt omdat hij anders ontspoort. Erkenning dat iets nog lastig is en troost is belangrijk. Overschakelen naar realiteit en grip ook. Dit houdt in dat je aangeeft wat je van hem verwacht (meedoen aan kringgesprek of in plaats van te gillen hulp vragen bij een lastige opdracht) en dat je hem helpt ontdekken hoe het behapbaar voor hem wordt. Je richt je op ‘wat werkt wel?’. Je experimenteert en oefent net zo lang tot het lukt.
En dat is iets heel anders dan te eisen dat hij meedoet aan de kring en boos of teleurgesteld te reageren als hij ontspoort. Dan ben je vooral gericht op realiteit zonder voldoende aandacht te besteden aan erkenning, troost, en grip.

Als een kind ontspoort heeft hij (positieve, constructieve) leiding nodig om grip te krijgen. Het is belangrijk om uit te stralen dat het oké is als het allemaal nog niet lukt en dat jij hem helpt om te ontdekken hoe het wel werkt. Experimenteer, doe suggesties, stel vragen om hem beter te snappen, wees nieuwsgierig,  maar geef richting. Straal vertrouwen uit en wees het baken in de woelige zee. Als je aan het kind dat uit de bocht vliegt vraagt “Wat helpt jou? Wat heb je nodig?” is dat in veel gevallen  te vaag; het geeft onvoldoende richting. Hij weet het zelf ook niet en het vergroot alleen maar zijn machteloosheid als hij niet weet te benoemen wat hem zou helpen.

Groeimindset voor gevorderden; Misvattingen ontmanteld.

Doel: ontwikkelen van een groeimindset; procesbegeleiding.

Achtergrond.

In een voorgaande blog (Hoe je je kind helpt faalangst te overwinnen) kwam de mindset-theorie van Carol Dweck aan de orde. Een waardevolle theorie omdat iemands mindset van invloed is op de mate waarin iemand in staat is zijn kwaliteiten te benutten. Ik ben blij te merken dat deze theorie steeds meer bekendheid krijgt. In de praktijk zie ik echter soms ook dat mensen denken een ‘groeimindset’ te stimuleren maar onbedoeld toch een ‘fixed mindset’ voorleven.
Tijd voor verdieping.

Om ‘eruit te halen wat erin zit’ is het volgens de mindset-theorie belangrijk om in plaats van resultaten en eigenschappen te prijzen, aandacht te hebben voor het leerproces. Daar ben ik het volledig mee eens, alleen is het een misvatting dat je automatisch een groeimindset stimuleert als je inzet i.p.v. resultaat prijst. Het levert niks op om de norm “cijfer 10 is goed, cijfer 4 is slecht” te vervangen door de norm “inzet is goed, niet inzetten is slecht”.
Bij beide ga je voorbij aan het werkelijke leerproces.
Inzet is niet het doel op zich. Je kunt je inzetten tot je een ons weegt, maar als je geen vooruitgang boekt dan is het misschien zinvoller om een andere aanpak te kiezen in plaats van met veel inzet hetzelfde te blijven doen (tenzij je het gewoon leuk vindt; ook prima).
Een groeimindset ontwikkelen vergt meer nuance dan inzet prijzen. Het gaat over doelen stellen, bedenken hoe je die doelen gaat behalen, oefenen, je voortgang monitoren, je openstellen voor feedback, je aanpak bijstellen waar nodig, nog meer oefenen, frustratie verduren, volharden en voldoening voelen.

Een groeimindset komt niet van de grond als je wel de ‘juiste’ complimenten geeft maar vervolgens in de stress schiet als je kind blijft zitten of niet op tijd aan zijn huiswerk is begonnen.
Het ontwikkelen van een groeimindset is een levenslang verdiepingsproces waarin ouders en kinderen samen oefenen, mislukkingen de bouwstenen vormen om te ontdekken wat wel werkt, waarin je op zoek blijft gaan naar mogelijke groei en vertrouwen houdt als het lastig wordt.

Werkwijze:

Leg de werking van het brein uit.
Een veel gebruikte metafoor is die van het geitenpaadje: na één keer over gras te lopen veert het gras terug en zie je nauwelijks meer waar je gelopen hebt; hoe vaker je hetzelfde stukje beloopt hoe beter begaanbaar het pad. Dat geldt ook voor verbindingen in je brein. Hoe vaker je iets doet, hoe makkelijker het wordt.
Bruikbare ondersteunende materialen om dit te bespreken zijn:

  • Filmpje: Je geweldige brein
  • Boek: Het fantastische elastische brein van JoAnn Deak
  • Boek: BreinLink voor ouders van Gerjanne Dirksen (inclusief inlegboekje voor kinderen)

Bespreek de “leerkuil”.
Als iets nog niet lukt, kun je je gefrustreerd voelen. Dat hoort erbij en is soms nodig om je grenzen te verleggen. Platform Mindset laat dat in een helder plaatje zien:

Bron: Platform Mindset

Word je samen met je kind bewust van ‘leerkuil-momenten’. Deel je eigen momenten waarop iets nog niet lukte en hoe je je toen voelde. Welke leerkuilen hebben jullie al overwonnen? Wat leerde je? Hoe voel je je als je weer uit de leerkuil geklommen bent en iets overwonnen hebt?

Bruikbaar ondersteunend materiaal om hierover in gesprek te gaan:

Kan jij het verduren als je kind lijdt of gefrustreerd is en nog onder in de leerkuil zit?
In welke situaties gedraag je je als een ‘curling parent’ die alle hobbels gladstrijkt?
In welke situaties kan je zijn worsteling niet aanzien en kijk je weg?
Wanneer lukt het al wel om mee te leven (zonder je te laten meesleuren), vertrouwen uit te stralen en hem aan te moedigen? Hoe kan je ditzelfde doen in voor jou lastige situaties?

Zie mindset als een groeiproces.
Het werkt belemmerend om mindset als een eigenschap te zien (je hebt een ‘fixed’-  of een ‘growth’-mindset). In werkelijkheid lukt het je in de ene situatie wel om vol vertrouwen te leren en door te zetten en in een andere situatie twijfel je nog aan jezelf en geef je op.
Word je samen met je kind bewust van de momenten waarop jij of je kind in de groeimindset zit en van de momenten waarop jij of je kind nog in een fixed-mindset schiet.

  • In welke situaties, bij welke triggers voel jij je ontmoedigd als anderen iets beter kunnen dan jij? Wanneer lukt het al om je open te stellen om te leren van iemand die iets beter kan dan jij?
  • In welke situaties, bij welke triggers word je boos of ga je in de verdediging als iemand kritiek heeft? Wanneer lukt het al om je open te stellen om te leren van kritiek?
  • Op welke momenten zet je vol overgave door ook als het nog niet lukt
  • …..

Bij Platform Mindset zijn ‘groeikaarten’  te koop die kunnen helpen om over dit onderwerp in gesprek te gaan.

Wees procesbegeleider in plaats van beoordelaar.
Wees je bewust van het verschil tussen “prijzen van resultaat en eigenschappen” en “aandacht voor het proces”. Als je hier nog niet bekend mee bent lees dan “Hoe je je kind helpt faalangst te overwinnen” of het boek Mindset van Carol Dweck. (Nederlandse vertaling: Mindset de weg naar een succesvol leven)
Aandacht voor het proces betekent echter niet dat het resultaat niet meer belangrijk is of dat je goed zit als je inzet prijst.
Aandacht voor het proces betekent dat je overschakelt naar het perspectief van de ander (het kind) en hem zo nodig aanmoedigt een voor hem haalbaar stapje te zetten.
Soms merk ik dat ouders nauwelijks meer iets positiefs durven te zeggen omdat ze niet willen ‘prijzen’. Toch is positieve aandacht helemaal prima; sterker nog, dat hebben ze nodig. Er zijn vele mogelijkheden om positief te reageren en toch een groeimindset te stimuleren (zie genoemde blog). Waar ik hier nader op wil ingaan is het verschil tussen ‘meeleven’ en ‘prijzen van resultaat‘/’beoordelen of je kind iets goed kan’.
Een voorbeeld:
Stel je kind is apetrots op zijn mooie tekening en laat hem met een grote glimlach aan je zien. Er is er niks mis met ‘meeleven en samen blij zijn’, zelfs als je je positief uitlaat over het resultaat. “Wow wat prachtig” in reactie op een trotse glimlach van je kind voelt voor mij als meeleven met je kind en is in essentie anders dan het “wow wat prachtig” dat voortkomt uit je beoordeling of het knap is wat hij heeft gedaan of niet (prijzen van resultaat).
“Wow, wat prachtig” in reactie op een teleurgesteld kind dat vindt dat zijn tekening totaal is mislukt, slaat de plank mis, omdat het niet aansluit bij de beleving van het kind (je bent niet overgeschakeld naar zijn perspectief). Hij heeft in dit geval waarschijnlijk meer aan gerichte feedback of belangstellende vragen die hem helpen ontdekken hoe hij kan verbeteren. Als jij het wel prachtig vindt kun je vertellen waarom jij het wel mooi vindt maar nadrukkelijk pas na erkenning van zijn eigen beleving.
Kortom; het ligt genuanceerd. Dezelfde woorden hebben verschillend effect. Het gaat niet om de precieze formulering van een compliment maar om de intentie. Ben je overgeschakeld naar het perspectief van de ander en sluit je aan op zijn leerproces of handel je vanuit je eigen oordelen?
Nog een voorbeeld:
“wow je hebt echt je best gedaan” (prijzen van inzet). Hier geldt het zelfde principe: leef je mee met je kind, en erken je zijn harde werk? (dan stimuleer je een groeimindset) Of geef je je oordeel over dat hij het goed gedaan heeft. In dit laatste geval stimuleer je alsnog een fixed-mindset, al prijs je zijn inzet, omdat je hem afhankelijk maakt van jouw oordeel.

Geef feedback op aanpak, inzet in relatie tot resultaat.
Soms merk ik dat ouders bang zijn om feedback te geven op verbeterpunten omdat ze het zelfvertrouwen van hun kind niet willen ondermijnen. Realiseer je dat wij kinderen geen zelfvertrouwen kunnen ‘geven’. Ze ontwikkelen zelfvertrouwen door grip te krijgen op hun functioneren. Feedback die bijdraagt aan groei kan dus bijdragen aan het ontwikkelen van zelfvertrouwen. Ook hier geldt dat het essentieel is om over te schakelen naar het perspectief van de ander en daar op aan te sluiten in plaats van vanuit  je eigen perspectief  tips te ‘zenden’.

Reframe gedachten/uitspraken die voortkomen uit een fixed-mindset

“Ik kan het niet” wordt bijvoorbeeld:

  • “nu ‘nog’ niet; hoe vaker je het doet hoe makkelijker het wordt”
  • “dat betekent dat je nog niet genoeg geoefend hebt”
  • “dat betekent dat je nog niet de juiste strategie het gevonden”
  • “………”

“Ik heb een 10, Ik ben super goed” wordt bijvoorbeeld:

  • “Fijn voor je; dat betekent dat je dit onderdeel al beheerst”.
  • “……”

Zoals gezegd is het ontwikkelen van een groeimindset een levenslang verdiepingsproces. Heb jij bruikbare filmpjes, andere materialen of  voorbeelden? Inspireer ons door ze in te vullen in het opmerkingen veld.

Tips om te bouwen aan een ontspannen kerstvakantie

Doel:  Verbinding, een goed gevoel.

Achtergrond.

De kerstvakantie kan een heerlijke periode zijn van genieten en verbondenheid.
Toch kan er ook zoveel op ons afkomen dat we ons laten meeslepen door de koopgekte om ons heen, we van het ene diner naar het andere draven en we de lat zo hoog leggen om de meest fantastische gerechten  te fabriceren dat we uitgeteld zijn als we eindelijk aan tafel zitten.
Op deze manier kunnen hooggespannen verwachtingen gemakkelijk omslaan in teleurstelling, gekibbel, frustratie en ontevredenheid.

Toch kunnen supercadeaus of exquise gerechten nooit opwegen tegen het allerbelangrijkste ingrediënt voor een geslaagde kerstvakantie, namelijk jouw emotionele beschikbaarheid en aandacht. Hieronder volgen een paar tips om te bouwen aan een relaxte, gezellige kerstvakantie.

Werkwijze:

Let op je energie.
Zet jou energie en je emotionele beschikbaarheid voor je gezin, op nummer 1 en zeg ‘nee’ tegen alles wat als een verplichting voelt.
Bedenk of je iets doet omdat het ‘moet’ of omdat jij en je gezin er blij van worden.

  • Moet het werkelijk zelfgemaakte tiramisu zijn of volstaat een kant en klare versie ook?
    Begrijp me niet verkeerd: als je tijd hebt en je plezier beleeft aan het zelf maken, ga dan vooral je gang. Maar wring je niet in allerlei bochten om aan verwachtingen te voldoen als dat betekent dat je gestrest raakt of het te druk hebt om aandacht te hebben voor je gezin. Dit komt namelijk als een boemerang terug, want jouw humeur is van grote invloed op het humeur van je kinderen en voor je het weet zit iedereen op elkaar te vitten.
  • Stel prioriteiten. Moet je werkelijk naar alle festiviteiten toe? Ook hier geldt: ga je omdat het moet of omdat je ervan geniet? En hoe is dat voor je kind(eren)?

Doe wat goed is voor jou en je gezin  i.p.v. iedereen tevreden te willen stellen.

Bouw aan een goede sfeer.

  • Creëer mogelijkheden om te ervaren hoe fijn het voelt om iets voor een ander te doen. Het geeft een goed gevoel en draagt bij aan emotionele gezondheid zolang het vanuit je eigen vrije wil is en niet omdat het moet of omdat je dan in een goed blaadje komt. Dwing je kind dus niet om tegen heug en meug iets voor een ander te doen, maar creëer mogelijkheden.
    Bijvoorbeeld:

    • Maak een doos voor weggeef spullen.
      Welke spullen (speelgoed, kleding, etc.) worden niet meer gebruikt en kun je (na een opknap- of schoonmaakbeurt) een ander blij mee maken? Dwing je kinderen niet om ergens afstand van te doen als ze er zelf nog niet aan toe zijn om het weg te geven. Laat je kinderen kiezen welke spullen ze in de doos stoppen. Knap ze samen op en breng ze samen met je kinderen naar bijvoorbeeld de voedselbank of naar iemand die er blij mee is.
    • Doe samen vrijwilligerswerk. Speel spelletjes met eenzame bejaarden in het bejaardenhuis, help pakketten inpakken bij de voedselbank of draag op een andere manier bij.
  • Praktiseer actief ‘dankbaarheid’
    Uit onderzoek komt duidelijk naar voren dat het niet zo is dat blijdschap tot dankbaarheid leidt, maar dat het andersom werkt. Mensen die actief ‘dankbaarheid’ praktiseren voelen meer blijdschap. Sta stil bij de dingen waar jullie je dankbaar voor voelen? Waar worden jullie blij van? Hoe kan je dat de betreffende persoon laten weten?

    • Eén manier om dit te doen is uitgewerkt in onze 101 ideeën voor gezinsactiviteiten.
    • Of bak bijvoorbeeld samen koekjes en breng ze naar de brandweer/politie om ze te bedanken voor hun inzet tijdens nieuwjaarsnacht.
    • Of ………

Zorg voor voldoende input en duidelijkheid.

  • Inventariseer de wensen en behoeften van ieder gezinslid (vergeet jezelf niet) en bekijk hoe iedereen aan zijn trekken kan komen.
  • Zorg voor een goede balans tussen activiteit en lummelen.
    Schat vooraf in hoe lang het duurt voordat ‘tijd voor lummelen’ overgaat in ‘apathisch hangen’ en vervelen?
    Hoeveel tijd is nodig om bij te komen van een activiteit voordat je aan iets anders begint?
    Voor mij werkt het bijvoorbeeld niet om twee dagen achter elkaar een kerstdiner te hebben. De eerste vind ik leuk, de tweede verschrikkelijk, ook als die tweede met de aller leukste mensen is die ik ken. Als er een paar dagen tussen zit geniet ik er wel van.
  • Maak een overzicht van alle activiteiten zodat iedereen weet waar hij aan toe is.
  • Bespreek proactief hoe een gezamenlijke activiteit voor iedereen acceptabel is.
    Heb je Nieuwjaarsavond afgesproken met een gezin met alleen maar meiden en heeft je zoon geen zin in meidendingen? Hoe kan hij toch een leuke avond hebben? Zou hij als quizmaster wel een leuke avond hebben? Ik roep maar wat. Als je vooraf bewust behoeften peilt zijn er vaak mogelijkheden genoeg om in ieders behoeften te voorzien en hoef je niet steeds brandjes te blussen.

Tips en valkuilen

Bovenstaande aanpak past goed bij mij en mijn gezin en ook binnen mijn praktijk zie ik dat gezinnen er baat bij hebben. Toch is ieder mens verschillend. Houd jij van spontane acties en flexibiliteit? Dan zal deze aanpak je waarschijnlijk benauwen. Sluit vooral aan bij hoe jij en je gezinsleden in elkaar zitten en zoek naar wat voor jullie goed werkt.

Met emotionele beschikbaarheid bedoel ik niet dat je al je eigen activiteiten moet wegstrepen om al je tijd aan je kinderen te kunnen besteden. Met emotionele beschikbaarheid bedoel ik dat je je kunt openstellen voor echt contact, te genieten van je kinderen. Als ik alleen maar leuke activiteiten met mijn kinderen doe zonder ook iets te doen waardoor ik me nuttig voel, ben ik mopperig, zelfs als ik de activiteiten op zich leuk vind. Ik ben dan fysiek aanwezig maar niet emotioneel beschikbaar.

 

Weet jij leuke activiteiten om iets voor een ander te betekenen?  Inspireer ons door je ervaringen in onderstaand opmerkingenveld te delen.

Hoe om te gaan met sarren en pesten

Doel: liefdevol en daadkrachtig ingrijpen bij sarren en pesten.

Achtergrond.

Als kinderen een probleem hebben, laten ze dat vaak met hun gedrag zien in plaats van te vertellen wat er aan de hand is. Als bijvoorbeeld een vriendin een rotopmerking heeft gemaakt, of als ze tegen een proefwerk opzien of als ze zich stierlijk hebben verveeld op school, voelen ze zich rot. Hoe mooi zou het zijn als ze dit gewoon aan je zouden vertellen zodat jij ze kan troosten en helpen. Helaas doen ze dat vaak niet en gooien ze in plaats daarvan de deur keihard dicht, geven een brutale mond of pesten ze hun broertje. Een gangbare reactie van ouders is dat ze boos worden en hoe begrijpelijk dit ook is, het is alleen maar olie op het vuur. Hij heeft nog steeds geen grip op zijn probleem en is daarnaast verder in conflict gekomen.

Ik zie veel hoogbegaafde gezinnen waarbij kinderen zich op school uitstekend gedragen, en waarbij diezelfde voorbeeldige kinderen, zodra ze thuis komen, de tent afbreken of hun broertje of zusje treiteren of dwars zitten.
Vaak zie je dat dit ontmoedigde gedrag sterk vermindert als ze op school meer tot hun recht komen en bijvoorbeeld werk krijgen dat bij ze past, of als ze contact krijgen met gelijkgestemden en het gevoel hebben dat ze gewaardeerd worden en ertoe doen.

Maar ja, wat als dat nog niet zo is, wat moet je dan?

In deze blog ga ik verder in op het begrenzen van sarren en pesten. Het aanpakken van de bron van frustratie (bijvoorbeeld door een omgeving te creëren waarin het kind tot z’n recht komt en zich prettig voelt) is in andere artikelen aan bod gekomen en laat ik hier even buiten beschouwing.

Pesten is het afreageren van een rotgevoel. Kinderen die sarren of pesten hebben geen grip, ze weten niet hoe ze hun problemen moeten oplossen en hebben niet het gevoel dat ze ertoe doen. Ze hebben niets anders in huis dan een ander net zo’n rotgevoel te bezorgen.
Gedrag roept gedrag op en de automatische reactie houdt het patroon in stand. Pesten roept bijvoorbeeld afkeer, ongeloof, agressie, wrok of de neiging om met gelijke munt terug te willen betalen.
Toch is het vele malen effectiever om je automatische reactie te stoppen en je bewust te richten op de verborgen boodschap “Ik voel me rot, erken mijn gevoel. Ik wil er alleen maar bij horen.”
Als het je lukt om hier op in te spelen en je te richten op verbinding en het erkennen van gevoelens, zul je merken dat kinderen zich weer openstellen om samen te werken en te leren.

Een kind dat sart of pest heeft iemand nodig die erkent hoe hij zich voelt, die respectvol ingrijpt om destructief gedrag te stoppen, en hem steunt om grip te krijgen op zijn probleem.

Werkwijze:

Stel je dochter Sophie zit aan tafel heerlijk te tekenen.  Je andere dochter Sanne heeft een rot humeur en is op oorlogspad. Sanne kijkt naar de tekening en zegt “Jij kan echt niet tekenen, dat ziet er niet uit!”. Ze pakt drinken, zet een glas vlak naast de tekening en schenkt van hoog in.

Doen wat nodig is in de situatie:

  1. Houd toezicht.
    Als je al verwacht of merkt dat je kind een rothumeur heeft en dit afreageert: blijf in de buurt zodat je ziet wat er gebeurt en snel kunt ingrijpen.
  1. Kom snel tussen beiden en doe wat nodig is.
    Bij gewone ruzies kan het effectief zijn om niet te snel in te grijpen zodat kinderen zelf kunnen experimenteren met het oplossen van hun conflicten. Als het om afreageren gaat is het beter om direct liefdevol in te grijpen. Als je dit laat gaan leidt het alleen maar tot sterkere ontmoedigde gevoelens aan beide kanten.
    Terwijl je kalm de tekening opschuift zodat deze buiten knoei gevaar is, zeg je op ferme liefdevolle toon tegen Sanne iets in de trant van: “Hé meiske, ik zie een donderwolk boven je hoofd hangen. Het is niet oké om kwetsende dingen te zeggen. Wil je vertellen waar je je rot over voelt of wil je een dikke knuffel?”
  1. Geef je grens aan.
    Als ze blijft afreageren geef je vriendelijk en daadkrachtig je grens aan: “Lukt het je al om vriendelijk te doen of moet je ergens anders nog even je rotgevoel eruit gooien?”
    Als ze doorgaat zeg je (nog steeds liefdevol en daadkrachtig): “Ho Sanne, eerst aan de slag met je rotgevoel. Wat ga je doen? Op de ‘trampoline springen’ of ‘muziek luisteren’? Vind je het prettig als ik meega?”
    Kies hierbij uiteraard de oplossingen die voor jouw kind werken. Als je nog niet weet welke dat zijn dan is het belangrijk om daar op een rustig moment over in gesprek te gaan en die te ontdekken.
    Gebruik je non-verbale houding om je woorden kracht bij te zetten. Straal in je toon en houding (liefdevol en daadkrachtig) uit dat ze bijvoorbeeld de kamer moet verlaten (en jij bereid bent om met haar mee te gaan).
    Laat je niet meesleuren door je irritatie, maar zoek bewust in jezelf je gevoel van liefde voor haar, je aanvaarding van haar rotgevoel en doe wat nodig is. Als je haar vanuit deze houding uit de situatie stuurt, biedt het veiligheid, je behoedt haar en je andere dochter voor destructief gedrag en steunt haar om zichzelf in de hand te houden. Dit is een heel andere impliciete boodschap dan wanneer je haar vanuit je boosheid en verwijt de deur uit zet. Dan zal ze zich alleen maar afgewezen voelen en extra boos.
  1. Ga niet in discussie en blijf bij je punt.
    Verzet is normaal. Ga er niet vanuit dat ze meteen jouw aanwijzing opvolgt en direct bijvoorbeeld op de trampoline haar frustratie eruit gaat springen. Als het zo gemakkelijk was, dan deed ze dat al lang vanuit zichzelf. Zij voelt op dat moment kennelijk een sterke drang om te kwetsen en kan haar impulsen nog niet beheersen en kiezen voor kalmeren en problemen oplossen. Dat moet ze eerst een paar keer ervaren. Hoe vaker ze dat doet, hoe gemakkelijker het wordt en hoe vaker ze het ook zelf bewust zal gaan inzetten.
    Zo lang het haar nog niet lukt om haar impulsen te beheersen en verstandig te handelen is het aan jou om te doen wat nodig is. Jij neemt haar rationele brein even over.
    Ga niet overtuigen en verder uitleggen (ze weet het al lang, maar het lukt nog niet).
    Herhaal je voorgaande boodschap en straal vriendelijk uit dat je het meent. Blijf bij je punt en houd vol tot ze zich richt op kalmeren of vriendelijk contact.
  1. Pak zo nodig de bron aan.
    Onderzoek op een rustig moment samen wat er aan de hand was. Misschien was het alleen even een rotbui omdat ze bijvoorbeeld honger had of baalde ze van een onvoldoende. In dat geval is in de situatie het gedrag begrenzen voldoende. Is er meer aan de hand? Bijvoorbeeld structureel cognitief ondervraagd worden. Zoek dan naar oplossingen om de bron van frustratie aan te pakken.
  1. Ondersteun haar om verantwoordelijkheid te nemen om fouten te herstellen.
    Kom (op een rustig moment) terug op de situatie.
    Stel vragen die helpen om zich in te leven in wat haar gedrag voor de ander betekende: “Hoe denk je dat Sophie zich voelde toen jij zei dat ze niet kon tekenen?”
    Nodig haar uit om verantwoordelijkheid te nemen en haar fout te herstellen. “Wat kun je doen om Sophie zich weer beter te laten voelen?”
    Een vriendelijke ondersteunende toon en houding is hierbij essentieel. Richt je niet op ‘terechtwijzen en boete doen’ maar op ‘aanvaarding en verantwoordelijkheid nemen’.
    Straal uit: We maken allemaal fouten, dat is nou eenmaal zo; van fouten kunnen we leren en het is belangrijk om onze verantwoordelijkheid te nemen.
    Eis niet dat ze ‘sorry’ zegt, maar help haar ontdekken hoe ze het op haar manier weer goed kan maken.

Proactief problemen voorkomen.

  1. Ontdek manieren om te kalmeren
    Leg op een rustig moment uit dat gevoelens komen en gaan. Gevoelens zijn niet ‘goed’, niet ‘slecht’, ze zijn gewoon wat ze zijn. Iedereen voelt zich wel eens rot of boos omdat dingen niet gaan zoals we willen. Als we ons heel erg boos of rot voelen gedragen we ons niet op ons best. Dan is het nodig om eerst even te kalmeren.
    Geef aan dat iedereen in verschillende situaties verschillende dingen nodig heeft om te kalmeren en zich weer prettig te voelen en dat jullie gaan ontdekken welke mogelijkheden voor je kind goed werken.
    Brainstorm mogelijkheden. Bedenk zo veel mogelijk manieren die kunnen helpen om tot rust te komen. Bijvoorbeeld: buiten rondjes fietsen, op de trampoline springen, op je kamer naar muziek luisteren, praten over de dingen die niet gaan zoals je wilt, knuffelen, hardlopen, op de korf schieten, enzovoort.
  1. Maak een keuze-rad van de dingen die zouden kunnen helpen om zich weer prettig te voelen. Bij een volgende situatie kun je dit keuze-rad gebruiken om je kind een actie te laten kiezen.
  1. Onderzoek hoe je proactief kunt voorzien in behoeften.
    Word je bewust van terugkerende momenten waarop afreageergedrag telkens weer de kop op steekt. Welke behoeften worden niet vervult?
    Bijvoorbeeld als ze steeds een rotbui hebben als ze net uit school komen.
    Hebben ze honger? Helpt het als ze onderweg van school naar huis al iets  eten i.p.v. pas als ze thuis komen?
    Hebben ze behoefte aan rust en willen ze even op zichzelf zijn? Hoe kan er voor rust gezorgd worden?

Tips en valkuilen

Soms denken ouders dat ze slecht gedrag belonen als ze liefdevol aandacht besteden aan een kind dat zich misdraagt. Ik kijk daar anders tegenaan.
Als je en daadkrachtig en liefdevol tegelijk optreedt zoals hierboven beschreven, dan leert een kind door oefening de vaardigheden die het te leren heeft. Juist omdat je ook liefdevol blijft als ze zich misdraagt, ervaart ze dat je onvoorwaardelijk van haar houdt. Dat voelt veilig waardoor ze zich gemakkelijker kan openstellen om te leren.
Als je echter alleen liefdevol bent zonder ook daadkrachtig sturing te geven in wat je kind te leren heeft, dan ben je waarschijnlijk aan het toegeven en dat is inderdaad niet effectief. Dan leert je kind geen verantwoordelijkheid te nemen en raakt hij juist extra geoefend in het gedrag dat je niet wilt zien.

Als je hoogbegaafde kind geen ‘nerd’ wil zijn

Doel: kosten-baten-analyse leren maken

Achtergrondinformatie

Stel je kind is heel erg goed in rekenen maar uitblinken in wiskunde vinden klasgenoten verre van cool. Je kind wil geen nerd zijn, wil niet naar de plusklas en ook geen uitdagend rekenwerk doen. Hij wil gewoon zijn. Waar doe je als ouder goed aan? Moet je accepteren dat je kind zich aanpast of moet je stimuleren om toch te excelleren? Wanneer moet je ingrijpen en wanneer laat je het aan je kind over?
Geen gemakkelijke vragen waar geen eenduidig antwoord op is.

Waar het denk ik om gaat is of je kind in contact is met wie hij is en constructief inspeelt op de situatie (copingstrategie) of dat hij zich automatisch aanpast zonder zich bewust te zijn van zijn eigen behoeften en angsten.

Sommige kinderen passen zich automatisch aan aan de groep en ontkennen hun eigen ik. Ze spelen een rol; ze proberen te zijn zoals het hoort en weten niet waar hun vlammetje van aan gaat. Dit zijn vaak keurig aangepaste kinderen waar het ogenschijnlijk goed mee gaat omdat ze doen wat we van ze verwachten, maar die zich onder de oppervlakte ongelukkig kunnen voelen. Soms uit zich dat thuis in woedeaanvallen, opstandig of apathisch gedrag, nadat ze op school de hele dag de ‘ideale’ leerling zijn geweest. Of ze klagen vaak over hoofdpijn of buikpijn.
Deze manier van aanpassen gaat ten koste van hun welbevinden.
Er is bewuste sturing nodig van ouders/leerkrachten zodat ze meer in contact komen met wie ze werkelijk zijn en zich prettiger voelen (zie werkwijze).

Heel anders is het als een kind zich bewust aanpast aan de groep, constructief inspeelt op de situatie en ook zorgt dat het zelf aan z’n trekken komt. Ter illustratie een voorbeeld uit mijn praktijk.
De ouders van een hoogbegaafd meisje maakten zich zorgen omdat hun dochter niet naar de plusklas wilde. Ze wilden voorkomen dat ze op cognitief gebied te kort zou komen en vroegen zich af of ze de plusklas toch door moesten zetten.
Net als deze ouders vind ik het belangrijk dat een kind cognitief (en ook op andere vlakken) aan z’n trekken komt. En inderdaad is het soms belangrijk om een kind een zetje te geven om dingen aan te gaan die ze misschien spannend vinden en uit de weg gaan. Toch had ik er in dit geval vooralsnog vertrouwen in dat het meisje goed voor zichzelf wist te zorgen en heb ik geadviseerd de gekozen weg van het meisje te steunen.
Waarom? Omdat het een blij en levenslustig kind was. Ze vermaakte zich prima in de klas met haar vriendinnen, had het gevoel zinvol bezig te zijn en wilde dit contact niet missen. Ze deed na school moeilijke rekensommen omdat ze daar zin in had. Ze was leergierig ging uitdaging aan. Haar vlammetje was aan. Ze zei zelf dat ze er in de klas voor koos om de dingen te doen die zij leuk vond en de andere kinderen ook, en dat ze buiten school de dingen deed die zij wel leuk vond maar de andere kinderen niet.
Mijn indruk was dat dit meisje in deze fase goed in contact was met wat ze nodig had om zich prettig te voelen. Ze ontkende geen delen van zichzelf, maar gaf prioriteit aan andere dingen dan de verrijking in de plusklas. Een plusklas is maar één van de vele mogelijke oplossingen om te voorzien in cognitieve uitdaging. Je richten op het doorgronden van sociale processen in de klas en na school rekenen is er ook één. Er zijn vele wegen die naar Rome leiden.

Iedereen die (ver) afwijkt van het gangbare zal moeten afwegen wanneer het verstandig is om zich aan te passen aan de groepsnorm en wanneer het beter is om trouw te blijven aan zichzelf. Excelleren of afwijkende behoeften volgen vergt vaak een prijs. Een belangrijke vaardigheid die hoogbegaafden daarom te leren hebben, is het maken van kosten-batenanalyses. Ik denk dat dat precies is wat het meisje in bovenstaand voorbeeld deed. Ze woog de voor- en nadelen tegen elkaar af en zorgde dat ze op haar manier aan haar trekken kwam. Ik zie dat als constructief inspelen op de situatie.

Vaak zijn kinderen zich echter helemaal niet bewust dat er iets af te wegen is en doen ze automatisch wat anderen doen. Soms omdat ze niet op het idee komen dat het ook anders kan, soms uit angst voor sociale uitsluiting of faalangst.
Als ouder kan je een belangrijke rol spelen in dit bewustwordingsproces .

Werkwijze

Normaliseer het gevoel van ‘anders zijn’.
Iedereen is anders. Het gaat om het ontdekken van je eigen gebruiksaanwijzing.
Leef voor dat afwijken van anderen mag.
Ondersteunende boeken voor jonge kinderen om hierover het gesprek aan te gaan: 
• “Ben jij een cheetah?” te bestellen bij Novilo
• “Hoogbegaafd, nou en?” van Wendy Lammers van Toorenburg
• “De Droomdenker” van Suzanne Buis
• “Dolfje Weerwolfje” van Paul van Loon; vader vindt ‘anders zijn’ geweldig.
Zoek rolmodellen van mensen die hun eigen weg gaan, tegen de stroom in, en daar wel bij varen.

Vergroot het zelfinzicht.
Ondersteun je kind zich bewust te worden van z’n behoeften.
Voordat iemand kan afwegen of hij zich wel of niet aanpast zal hij eerst moeten weten wat überhaupt z’n behoeften zijn. Kinderen (en volwassenen) zijn zich daar niet automatisch van bewust. Leer behoeften herkennen en geef er woorden aan.
Bijvoorbeeld:
• Als je kind zit te glunderen boven een moeilijke rekensom: “Je voelt je lekker hè als je je hersens kunt laten kraken op een rekensom?” (In plaats van “wat knap van jou”)
• Als je kind overprikkeld raakt als hij een tijdje met andere kinderen heeft gespeeld. “Ik merk dat je stekelig reageert. Klopt het dat je behoefte hebt aan rust, aan even op jezelf zijn?
• Als je kind woedend wordt omdat iets anders loopt dan verwacht: Moeilijk hè, als het anders loopt dan je denkt. Je houdt van voorspelbaarheid hè?
Maak er een ontdekkingstocht van. Ontdek patronen, laat ballonnetjes op, en maak expliciet wat wel/niet werkt.
Bijvoorbeeld:
• “Je bent dol op lezen. Toch valt het me op dat je je hangerig voelt als je de hele dag leest. Klopt het dat je je nu lekkerder voelt nu je ook even iets actiefs hebt gedaan? Dan is lezen daarna extra leuk. Toch?”
Wees niet te stellig, het is maar jouw interpretatie. Wees nieuwsgierig naar hoe het werkt. Check, vraag, ontdek. Benoem wat je ziet, wat “is” en verwar dit niet met hoe je zou willen dat iets is – dan wordt het al snel manipuleren en creëer je extra verwarring.

Maak conflicterende behoeften expliciet en ontwikkel probleemoplossende vaardigheden
Kinderen die zich automatisch aanpassen aan de groep zonder in contact te blijven met wat ze zelf nodig hebben, willen er graag bij horen en zijn vaak bang voor conflicten.
Leef voor en maak expliciet dat het oké is om verschillend over iets te denken en dat verschillende behoeften naast elkaar kunnen bestaan.

Geef ruimte om eigen keuzes te maken.
Herken en erken bewust de momenten dat je kind zijn eigen weg kiest en opkomt voor zichzelf.

Oefen probleem oplossende vaardigheden.
De meeste kinderen zullen niet zomaar vanzelf hun behoeften op een prettige manier verwoorden, met respect naar anderen luisteren, verschillen accepteren en problemen oplossen. Daar is oefening voor nodig. Een structureel gezinsoverleg biedt een veilige, prettige mogelijkheid om dit soort vaardigheden te oefenen. Zie de blog “Hoe je gezinsoverleg leuk en leerzaam maakt” voor een constructieve aanpak.

Ontwikkel de vaardigheid om kosten baten analyses te maken
Ga in gesprek over wat het kost en wat het oplevert om je aan te passen of juist je eigen weg te volgen. Dit kan in heel veel verschillende situaties. Bijvoorbeeld:
• Wanneer, onder welke omstandigheden, tegen wie,…..zeg je wel dat je hoogbegaafd bent, wanneer niet. Waarom? Wat levert het op, wat kost het.
• Als iedereen in de pauze voetbalt en jij niet van voetbal houdt. Wat zijn voor- en nadelen om toch mee te voetballen. Wat kost dat, wat levert het op? Wat zijn de voor- en nadelen om niet mee te doen. Wat kost dat, wat levert dat op?
• Als je het werk in de klas saai vindt en er is in school een plusklas. Wat zijn de voor- en nadelen om naar de plusklas te gaan. Wat levert het op, wat kost het?
• Wat zijn de voor- en nadelen van heel goed presteren in wiskunde.

Kinderen die zich automatisch voegen naar de norm, zijn zich vaak niet bewust dat ze kunnen kiezen en dat je keuze afhangt van allerlei factoren en omstandigheden.
Door te praten over dit soort afwegingen, en ook je eigen afwegingen te delen, gaan ze zien dat ze keuze mogelijkheden hebben. Zo krijgen ze zelfinzicht en grip op eventuele ongrijpbare angsten.

Help drempels overwinnen.
Soms weerhoudt angst je kind om dingen te doen die wel goed zouden passen. Over het algemeen geldt dat angst groter wordt als je hem vermijdt en minder wordt als je naar de angst toe beweegt door in haalbare stapjes je angst te overwinnen.
Een belangrijke taak van ouders is om mogelijkheden op het pad van hun kind te leggen. Je kind ontdekt immers pas wat er bij hem past als hij dingen uitprobeert. Doet hij dat niet uit zichzelf dan dan is er soms een zetje in de rug nodig. Lees meer in de blog Hoe je je kind helpt drempels te overwinnen.

Tips en valkuilen

Ergens goed in zijn betekent niet automatisch dat je er ook energie van krijgt of voldoening uit put. Als je kind heel goed is in rekenen, maar rekenen (op niveau) heeft zijn interesse niet, dan komt hij in een plusklas waar ze heel veel aandacht besteden aan rekenen alsnog niet tot z’n recht. Let dus op het verschil tussen een competentie en een talent. Een competentie is als je iets beheerst. Een talent is datgene wat je graag doet, dat waar je blij van wordt. Om lekker in je vel te zitten is het nodig om je talenten voldoende uit te leven. Doet je kind dat niet, heeft hij geen idee waar hij energie van krijgt of voldoening uit put, dan is er werk aan de winkel om te ontdekken wat zijn talenten zijn.

Hoe je passende vriendschappen faciliteert voor je hoogbegaafde kinderen

Doel: hechte vriendschappen, verbondenheid

Achtergrondinformatie:

Contacten waarbij je jezelf kunt zijn, zijn van groot belang voor het ontwikkelen van een positief zelfbeeld en het ontwikkelen van goede sociale vaardigheden.

Toch valt het voor hoogbegaafde kinderen niet altijd mee om vriendjes of vriendinnetjes te vinden waar het mee klikt.  Vaak lopen ze niet alleen cognitief, maar ook sociaal voor op hun leeftijdgenoten. Uit onderzoek blijkt dat hoogbegaafde kinderen soms enkele jaren voorlopen als het gaat op hun beleving en verwachtingen van vriendschap.

De normale ontwikkeling van vriendschap verloopt volgens Selman ongeveer als volgt:

Fase 1 (3-6 jaar): “Ik wil het op mijn manier”
Een vriend is een vluchtig speelkameraadje; iemand die toevallig op dat moment beschikbaar is en waar je lol mee kan hebben.

Fase 2  (5-9 jaar) Eenrichtingsverkeer: “What’s in it for me?”
Vriendschap gaat verder dan het toevallige contact van fase 1 maar is nog zeer pragmatisch. “Een vriend is iemand die iets leuks voor je doet”. Ze kunnen zich nog niet goed inleven in het perspectief van de ander en zijn nog niet zo bezig met iets voor een ander te doen. Vriendschap wordt in deze fase ook ingezet als onderhandelingsmiddel “Ik ben je vriend af als jij niet ……..”

Fase 3  (8-10 jaar) Tweerichtingsverkeer: “Houd je aan de regels”
In deze fase kunnen kinderen zich naast hun eigen perspectief ook al inleven in het perspectief van een ander, maar dat lukt ze nog niet tegelijkertijd. Ze switchen van het ene perspectief naar het andere.
Eerlijkheid en wederkerigheid zijn in deze fase erg belangrijk maar worden nog op een rigide manier bekeken. Als jij iets aardigs doet voor een ander, moet die ander ook op korte termijn iets aardigs terug doen. Zo niet dan is dat niet eerlijk en kan dat het einde van de vriendschap betekenen.
In deze ontwikkelingsfase wordt soms veel onderhandeld of je wel of niet bij een geheime club mag horen waarbij speciale regels en een codetaal horen.

Fase 4 (11-15 jaar) Gevoelens delen en voor elkaar zorgen.
In deze fase helpen vrienden elkaar en delen ze gevoelens met elkaar die ze niet met anderen delen. Ze sluiten compromissen. De score van wie wie helpt wordt minder bijgehouden dan in de vorige fase omdat ze oprecht willen dat hun vriend/vriendin gelukkig is.
In deze fase kunnen kinderen (vooral meisjes) erg bezitterig zijn en zich jaloers voelen als een vriend/vriendin ook met anderen omgaat.

Fase 5 (vanaf 16 jaar) Intimiteit
Vrienden gaan een blijvende verbintenis met elkaar aan gebaseerd op vertrouwen en onvoorwaardelijke acceptatie.

Als een hoogbegaafd kind deze ontwikkelingsfasen sneller doorloopt dan leeftijdgenoten kan dit tot veel onbegrip en isolement leiden. Zo kan een zesjarig hoogbegaafd kind al gericht zijn op “gevoelens delen en zorgen voor elkaar” (fase 4) maar omgaan met leeftijdsgenoten die vriendschap nog als éénrichtingsverkeer beleven en “jij bent vriend af” roepen als iets niet gaat zoals ze willen (fase 2). Dit normale gedrag passend bij een 6 jarige, kan dan diep kwetsend zijn voor het kind dat al uitgaat van blijvende diepe contacten.

Hoogbegaafde kinderen hebben daarom vaak een betere klik met kinderen van een paar jaar ouder. Maar hoe kom je met hen in contact als je bij alles (school, sportclub, enzovoort) op leeftijd wordt ingedeeld? En willen die oudere kinderen wel met een jonger kind spelen? Dat is toch niet cool en geeft veel trammelant?

Je kind heeft jou nodig om de bestaande kaders op te rekken en passende vriendschappen te ondersteunen en te faciliteren.

Werkwijze:

Stop met je alleen te richten op leeftijdgenoten.

Ga bewust op zoek naar activiteiten/clubjes waaraan verschillende leeftijdsgroepen deelnemen zodat je kind in contact kan komen met oudere kinderen. Denk bijvoorbeeld aan een schaakclub, de dierenbescherming, museumjeugduniversiteit, science- of creatieve workshops, de natuurclub enzovoort. Steeds meer universiteiten bieden programma’s aan voor intelligente tieners om vakken bij hen te volgen.
Veel hoogbegaafde kinderen voelen een grote maatschappelijke betrokkenheid. Een club waarbij zij kunnen bijdragen aan het “verbeteren van de wereld” kan hen helpen hier invulling aan te geven.

Wees je bewust wat oudere kinderen wel al mogen en jouw kind nog niet en bedenk wat nodig is om het contact in goede banen te leiden.

  • Bijvoorbeeld:
    Wat mag jouw kind wel/niet zelfstandig in het verkeer in vergelijking met de oudere kinderen? Wat kun je extra oefenen zodat jouw kind toch mee kan doen en waar ligt je grens?
    Welke games/films en dergelijke mag jouw kind nog niet zien/doen die oudere kinderen wel mogen?
    Hoe laat moet jouw kind thuis zijn?

Wees hier vooraf duidelijk over. Achteraf restricties opleggen voelt als falen en levert meer verzet op.

Ga op zoek naar specifiek aanbod voor hoogbegaafde kinderen. Waar het om gaat is dat ze andere kinderen treffen waarbij ze zichzelf kunnen zijn en zich niet voortdurend hoeven in te houden. Dat hoeven niet perse andere hoogbegaafde kinderen te zijn maar vaak maakt dat het contact wel veel makkelijker. Er zijn de volgende mogelijkheden om dit soort contact actief op te zoeken:

  • Plusklassen (binnen school of bovenschools)
  • Aansluiten bij verenigingen voor hoogbegaafden zoals Pharos, Hint Nederland, Choochem of Mensa.
  • Vele adviesbureaus organiseren excursies, kampen, verrijkingsactiviteiten voor hoogbegaafde kinderen en jongeren.
  • Hoogbegaafdenonderwijs

Tips en valkuilen.

Het aantal vrienden dat een kind nodig heeft om zich prettig te voelen kan per kind erg verschillen. Zie de blog over introversie en extraversie. Voor de één is één of twee goede vrienden genoeg, een ander heeft behoefte aan veel vrienden om zich heen. Toch is het voor iedereen belangrijk om zich verbonden te voelen.

Bronnen:
“Finding true peers”(2009) Maureen Neihart op website Gifted Today
“Children’s Growing Friendships” (2012) van Eileen Kennedy-Moore op website van Psychology Today

Hoe je een positief zelfbeeld stimuleert met deugden-taal

Doel: een positief zelfbeeld

Achtergrond:

In een vorige blog gaf ik aan dat de intensiteit van een hoogbegaafd kind vaak verkeerd begrepen wordt en dat ze aan de lopende band expliciet of impliciet de boodschap krijgen dat ze raar, vervelend of lastig zijn. Ik heb toen ‘Ik Kies voor mijn Talent’ van Luk Dewulf aangehaald als tool om tegenwicht te bieden tegen negatieve beoordelingen en bewust op zoek te gaan naar de onderliggende kwaliteiten.
Klik op de link voor de blog Hoe je je kind steunt om zich goed te voelen over zichzelf 

Een andere insteek om de positieve kant te onderkennen bij ‘ongewenst’ gedrag  is om bewust deugden-taal te ontwikkelen.

Ieder mens beschikt over alle deugden, alleen verschilt de mate waarin we over de verschillende deugden beschikken.
Hoe meer we een deugd oefenen hoe makkelijker het wordt om deze in te zetten op de momenten dat we hem nodig hebben.
Door je bewust te focussen op welke deugden iemand laat zien en deze te benoemen, ontstaat een positieve sfeer waarin zelfvertrouwen en veerkracht groeit.

Als we doorslaan in de ene deugd kan het oefenen van een aanvullende deugd zorgen voor de balans. Als je je bijvoorbeeld heel ‘loyaal’ opstelt naar iemand, kan hij over je heen lopen als je niet ook ‘assertiviteit’ ontwikkelt.

Deugden zijn voortdurend in ontwikkeling en houden elkaar in balans. Als je een deugd nog niet goed kent op een moment dat je hem nodig hebt zul je tekort schieten.
De kunst voor ouders is om deze momenten te herkennen als leermoment en in plaats van te mopperen en te veroordelen, de situatie aan te grijpen om de nog ontbrekende deugd verder te ontwikkelen door deze voor te doen en te oefenen.

Mensen die hier meer over willen lezen raad ik het boek ‘Opvoeden met deugden’ van Annelies Wiersma aan. Op haar website  vind je een overzichtslijst van deugden en gratis downloads waarmee je aan de slag kunt. Ook kun je deugdenreflektiekaarten bestellen om je te laten inspireren. Voor iedere leeftijdscategorie zijn er passende materialen.

Hieronder volgt een  voorbeeld hoe je aan de hand van deugden-taal de beleving van je kind kunt erkennen, troost kunt bieden, de realiteit onder ogen ziet en ondersteunt om grip te krijgen.

Werkwijze:

Klik op de link en download de poster 52 deugden of bestel de reflectiekaarten.

Bedenk op welke manier jij  of anderen je kind wel eens veroordelen. Welke negatieve labels krijgt je kind? Bijvoorbeeld ‘Arrogant’.

Stel je kind heeft verder doorgedacht dan anderen, hij gelooft oprecht dat hij gelijk heeft en blijft bij zijn punt. Anderen verwijten hem dat hij ‘arrogant’ is. Hoe frustrerend moet dat voor je kind zijn? Hoe eenzaam en miskend zal hij zich voelen?
Hij heeft het nodig dat jij zijn kracht ziet, dat jij in hem blijft geloven en hem helpt om grip te krijgen op de situatie.

Bekijk de lijst met deugden of spreid alle deugdenreflektiekaarten uit.

Leef je in in de beleving van je kind. Wat was de intentie van zijn gedrag? Vraag naar zijn overwegingen. Welke deugd schuilt achter het ‘ongewenste’ gedrag.
Zou het bij ‘arrogantie’ in de beleving van je kind ook kunnen gaan om bijvoorbeeld:

  • ‘idealisme’? Durfde hij grote dromen te hebben en te handelen alsof ze uit zouden komen?
  • ‘loyaliteit’? Bleef hij loyaal aan zichzelf en aan wat hij wist dat juist was?
  • ‘assertiviteit’? Had hij de moed om op te komen voor dat waarin hij gelooft?
  • ‘voortreffelijkheid’? Deed hij zijn uiterste best om de taak op een zo hoog mogelijk niveau te verrichten?
  • …..

Erken en benoem de deugden die je kind wel met het ‘ongewenste’ gedrag laat zien. “Je laat ‘loyaliteit’ zien, je bleef loyaal aan wat je wist dat juist was”. Door van jou te horen welke deugden hij inzet leert hij zichzelf beter kennen en krijgt hij grip.

Soms is een deugd zo sterk aanwezig dat het ontwikkelen van een compenserende deugd nodig is om de balans te houden. Bekijk nogmaals de lijst met deugden. Bedenk welke deugd je kind nog te ontwikkelen heeft. Welke deugden zouden hebben geholpen om ‘loyaliteit’ effectiever tot uiting te laten komen en zou je willen stimuleren (=groeideugd)? Wat draagt bij aan een goede balans?
Bij ‘arrogantie’ bijvoorbeeld:

  • Tact? Je houdt rekening met de gevoelens van anderen. Je kiest zorgvuldig hoe je iets zegt want je weet hoe groot de invloed van je woorden op iemand kan zijn.
  • Billijkheid? Je openstellen voor de gezichtspunten van anderen. Je zoekt naar wat juist is voor alle betrokkenen.
  • Hoffelijkheid? Anderen vriendelijk en tactvol behandelen. Je neemt de tijd om mensen te laten uitspreken. Je laat zien dat je anderen waardeert en respecteert

Word je samen met je kind de komende tijd extra bewust van de betreffende groeideugd.  Bespreek wat  de deugd inhoudt; bijvoorbeeld aan de hand van de deugdenreflectiekaarten of de gratis downloads. Op welke momenten zie je de groeideugd terug in wat jij of je kind doet? Waar merk je dat aan? Moedig je kind aan om de groeideugd verder te ontwikkelen en in praktijk te brengen.

Hier nog enkele voorbeelden uit het boek van “Opvoeden met deugden” :

Bron: ‘Opvoeden met deugden’ van Annelies Wiersma

Tips en valkuilen:

Stop met reageren vanuit verontwaardiging en verwijt, kalmeer jezelf en kies voor positieve, constructieve aanpak die bijdraagt aan een positief zelfbeeld. Gebruik de deugden niet om je kind verwijten te maken over de nog  ‘ontbrekende’ deugden. Stel jezelf open voor het zien van de deugden die er wel al zijn en oefen met de deugden die verdere ontwikkeling behoeven.

Deugden zijn geen zijns-toestand. Je ‘bent’ niet behulpzaam/geduldig/eerlijk…. Je gedraagt je in de ene situatie wel behulpzaam/ geduldig/ eerlijk  en in de andere niet. In de ene situatie lukt het al wel om de deugd in te zetten en in de andere nog niet. Oefening baart kunst.

Deugden-taal is een manier om leiding te geven aan je kind om het te helpen zijn innerlijke autoriteit te ontwikkelen; het vermogen om zelf morele keuzes te maken en met de consequenties van het gedrag om te gaan.

Bron: Wiersma (2014). “Haal het beste uit je kind én jezelf; Opvoeden met deugden.” Uitgeverij ACT on Virtues. Geïnspireerd op de deugdenboeken van Linda Kavelin-Popov.

Heb jij voorbeelden hoe jij deugden-taal gebruikt voor een positieve ontwikkeling? Inspireer ons door ze met ons te delen in onderstaand opmerkingenveld.  

Twee misvattingen rond ‘positief opvoeden’

Doel: respectvol grenzen stellen

Achtergrond.

Als je me al langer kent weet je dat de opvoedmethode die ik hanteer gebaseerd is op “Positive Discipline” van Jane Nelsen. Het uitgangspunt hierbij is dat iedere situatie, hoe lastig ook, positief is aan te pakken zonder straf/beloning, zonder veroordeling en verwijt. Dit is mijn diepe overtuiging en zie ik iedere keer weer in de praktijk bevestigd.

Toch merk ik dat dit uitgangspunt regelmatig tot verwarring leidt en enige verduidelijking behoeft. De term ‘positief opvoeden’ suggereert misschien dat een kind lachend en vol liefde meewerkt aan dat wat ouders willen, als ze het maar positief genoeg brengen. Als dit blije beeld wordt verstoord omdat ouders alsnog op verzet van hun kind stuiten, twijfelen ze of ze het verkeerd hebben aangepakt. De sfeer is immers niet meer positief.

Het is een misvatting om te denken dat met ‘positief opvoeden’ iedereen altijd blij en gelukkig is. Opvoeden is per definitie conflict. Er zijn dagelijks tal van situaties waarin grenzen nodig zijn, ook als je kind dat niet leuk vindt en gefrustreerd raakt. Bijvoorbeeld als je kind zin heeft om vlak voor de maaltijd een zak snoep leeg te eten, of als je kind het nodige verkeersinzicht nog mist maar toch zelfstandig zonder toezicht aan het verkeer wil deelnemen, of als je kind uren wil gamen en jij het belangrijk vindt dat hij ook nog iets anders doet dan alleen gamen, of als hij nog geen zin heeft om naar bed te gaan maar z’n slaap wel nodig heeft, en zo kan ik nog wel even doorgaan.
Jouw ingrijpen kan nodig zijn, maar betekent dat het niet gaat zoals je kind het wil en uiteraard is hij dan gefrustreerd, verdrietig, teleurgesteld of wat ook maar.
Met ‘positief opvoeden’ bedoel ik niet dat iedereen de hele dag blij en in harmonie samenleeft. Ik bedoel dat je als ouder vriendelijk, ferm en respectvol blijft, ook als je kind niet doet wat hij zou moeten doen. Het betekent dat je duidelijk bent en vriendelijk doet wat nodig is, zonder te vervallen in verwijten en veroordelingen.

Een tweede misvatting is om ‘benoemen wat in jouw ogen niet goed gaat’ gelijk te stellen aan verwijten en veroordelen. Dat is het niet. Er is een verschil tussen ‘duidelijk zijn / doen wat nodig is’ aan de ene kant en ‘veroordelen/verwijten maken’ aan de andere kant. In de praktijk merk ik dat cliënten dit onderscheid in het begin soms nog lastig vinden. “Ho stop!, we slaan elkaar niet” klinkt in hun oren veroordelend. Toch hoeft dat niet zo te zijn. Als de toon vriendelijk en ferm is vind ik het een goed voorbeeld van ‘duidelijk zijn’. Je geeft het kader aan. En als je er tussen springt en ferm en vriendelijk de arm vasthoudt van iemand die wil slaan valt dat voor mij onder ‘doen wat nodig is’.
Heel anders is “Hé, ben je helemaal gek geworden, slaan mag niet” en je kind ruw naar het strafstoeltje sleept. het zal duidelijk zijn dat deze aanpak wel veroordelend is. Het verschil is dat je in de eerste situatie aanvaardt dat dingen nog niet gaan zoals ze zouden moeten gaan. Je realiseert je dat dat inherent is aan opgroeien. Je grijpt in en geeft de te ontwikkelen richting aan. Je toon is vriendelijk en ferm tegelijk.
Het is pas een verwijt of veroordeling als wat je zegt of doet voortkomt uit je boosheid, je kind verwijt dat hij doet wat hij doet.
Op ferme vriendelijke toon te benoemen wat niet acceptabel is geeft duidelijkheid en veiligheid en hoort wel degelijk bij positief opvoeden.

Werkwijze

Wees je bewust dat het soms gewoon nodig is om grenzen te stellen. Als je kind boos of gefrustreerd raakt wil dat nog niet zeggen dat jij het verkeerd doet. Is je grens terecht? Ben jij daadkrachtig en respectvol gebleven? Als je dit met ja kunt beantwoorden zit je op de goede weg.

Aanvaard en erken zijn emotie. “Jammer hè, dat je geen hele zak snoep mag leegeten/ dat je nog niet alleen in het verkeer mag/ dat je gametijd voorbij is/ dat het bedtijd is”

Doe wat nodig is zonder verwijt.
Aanvaard dat je kind nog niet alles onder controle heeft, dingen verkeerd aanpakt, enz. Dat betekent dat het aan jou is om in te grijpen en richting te geven. Inpeperen hoe slecht hij zich gedraagt helpt hem niet het beter te doen. Hij voelt zich alleen maar tekortschieten. Aangeven ‘wat wel’ en daarmee laten oefenen geeft richting.
Wees je bewust van het verschil tussen ‘doen wat nodig is’ en ‘verwijten maken’.

Hieronder nog een voorbeeld om het verschil te verduidelijken.

Stel je hebt je kind nadrukkelijk gezegd dat hij niet dicht bij het water mag spelen. Desondanks vind je hem even later toch dicht bij het water. Je hebt geen tijd om samen met hem buiten te blijven.

Verwijten/veroordelen:

Op boze toon zeg je:  “Je houdt je niet aan de afspraak (= verwijt) dus jij mag niet meer buiten spelen” (= sanctie).
Als kind zich verzet: “Dan had je maar beter moeten luisteren”

Duidelijk zijn en doen wat nodig is:

Op vriendelijke ferme toon zeg je “Je vindt het nog moeilijk om bij het water uit de buurt te blijven. (=constatering, als de toon vriendelijk is is het geen verwijt) Dus wil ik op je kunnen letten als je buiten speelt. Daar heb ik nu jammer genoeg geen tijd voor dus we gaan naar binnen”. (= doen wat nodig is)

Als kind zich verzet: “Jammer hè, je wilt zo graag buiten blijven, toch lukt dat nu niet. Kom schat; we gaan naar binnen.”
Erken zijn teleurstelling, blijf bij je punt. Herhaal dit tot hij meegaat naar binnen. Bij een jong kind kun je hem oppakken en mee naar binnen nemen. Let op een daadkrachtige en tegelijk vriendelijke toon en houding.
Ga niet in discussie of verder uitleggen, enzovoort

Ken je kind goed genoeg om te weten welke verantwoordelijkheid hij al aan kan en welke nog niet. Kan hij nog niet alleen buiten blijven zonder naar het water te gaan? Doe dan wat nodig is: Je gaat of samen naar buiten of hij blijft binnen bij jou. Het is een misvatting om te denken dat hij zich aan de regels houdt als jij maar streng genoeg aangeeft wat wel en niet mag. Zijn hersenen zijn nog onvoldoende gerijpt om zijn impulsen te beheersen, gevaar goed in te schatten enzovoort.

Natuurlijk snap ik heel goed dat het niet altijd lukt om vriendelijk en respectvol te blijven. We zijn allemaal mens. Het is zoals het is. Erken je fout en ‘get back on track’